Titre :
  • Psychoanalyse en neurowetenschap: De geest in de machine, 14
Auteur : Kinet, Mark ; Bazan, Ariane
Editeur : Garant, Antwerpen/Appeldoorn
Statut de publication : Publié, 2010
Volumes/pages :
  • 261 p.
Séries :
  • Psychoanalytisch Actueel ; 14
Sujet CREF : Psychologie
Psychologie différentielle
Neuropsychologie
Neurosciences cognitives
Mots-clés : psychanalyse neurosciences inconscient épistémologie corps
Note : Een actuele psychoanalyse dient zich te verhouden tegenover eigentijdse wetenschappelijke, maatschappelijke en culturele ontwikkelingen. Zo maakten bijvoorbeeld de neurowetenschappen de voorbije decennia grote sprongen voorwaarts. Eindelijk kan worden aangetoond dat structuur èn werking van de hersenen door omgevingsfactoren waaronder psychotherapie worden beïnvloed. Dankzij diverse technologieën kunnen niet alleen de anatomie, maar ook de werking van de hersenen gevisualiseerd worden. Voordeel is dat de per definitie verborgen en/of onzichtbare wereld van het psychische, van gedachten, gevoelens en fantasieën hierdoor wat meer ‘hard’ kan gemaakt worden. Er zijn wel vele vragen. Is het vandaag bijvoorbeeld nog mogelijk kwesties van geheugen, bewustzijn en onbewuste processen los van hun fysiologisch correlaat te onderzoeken? Kunnen de neurowetenschappen theorieën over ontwikkeling, mentale structuur en functie, psychopathologie en behandeling helpen valideren? Kunnen verschillende metapsychologische stromingen aan neuro-wetenschappelijke bevindingen worden gecorreleerd of leiden ze tot tegenstrijdige gegevens? Zou de recente discipline van de neuropsychoanalyse een overkoepelende theorie kunnen leveren, waarin inzichten uit de neurowetenschappen worden geïntegreerd met een psychoanalytische aandacht voor de subjectieve ervaring? Zoals het in de reeks ‘Psychoanalytisch Actueel’ gebruikelijk is komen verschillende auteurs elk met hun eigen stem en perspectief aan bod. (Neuro)wetenschappers, clinici en filosofen vertrekken daarbij vanuit de meest diverse psychodynamische en psychoanalytische oriëntaties. We beginnen met een historisch artikel van Howard Shevrin. Hij breekt er een lans voor een samenhangende en alomvattende theorie die volgens hem de psychoanalyse (zoals elke andere wetenschap) behoort te kenmerken. Vervolgens legt Ariane Bazan de neurolinguïstische structuur van het onbewuste bloot. Het blijkt in de hersenen te wemelen van in belangrijke mate als talig te typeren (psycho)dynamische krachten. Paul Verhaeghe plaatst in zijn bijdrage een aantal kritische kanttekeningen bij de opkomst van de neurowetenschappen en hekelt al te naïeve dualistische opvattingen over de geest en het brein. Voor de clinicus is het wat Mark Kinet betreft een dagelijkse èn onmogelijke opdracht in grand écart de (neuro)psychiatrie en de psychoanalyse te integreren. Zonder haar te verabsoluteren, overloopt hij een aantal neurowetenschappelijke bevindingen die licht werpen op (de behandeling van) diverse psychopathologie. In haar bijdrage staat Lili De Vooght uitgebreid stil bij het gedachtegoed van Nobelprijswinnaar Eric Kandel en wat zijn geheugenonderzoek voor haar psychiatrische en psychoanalytische praktijk betekent. Nelleke Nicolai bespreekt de ondertussen steeds uitgebreidere neurobiologische onderzoeks-bevindingen over gehechtheid en latere kwetsbaarheid vanuit het perspectief van de bemoedering. Patrick Luyten, Benedicte Lowyck, Rudi Vermote en Peter Fonagy onderzoeken het neuraal substraat van mentalisatie die in het ontstaan en de behandeling van borderline persoonlijkheidsstoornissen zo’n bepalende rol speelt. De filosofen Helena De Preester en Jenny Slatman zoemen in op nieuwe technologie van prothesen en lichaamsextensies die ons in min of meerdere mate in een soort cyborgs verandert. Via een specifieke psychiatrische stoornis onderzoeken ze neuro-wetenschappelijke en psychoanalytische gezichtspunten in verband met lichamelijke integriteit. Gertrudis Van de Vijver verdiept zich aan de hand van Kants opvattingen in het epistemologische vraagstuk waarmee neurobiologie en psychoanalyse ons confronteren. Om te eindigen mag een bijdrage rond de biologische wortels en functie van creativiteit en kunst vanwege Lois Oppenheim niet ontbreken. Voorafgaand willen we nog een algemene kanttekening plaatsen. De geschiedenis van de psychoanalyse wordt bij uitstek gekenmerkt (en hierin verschilt ze van andere wetenschappelijke domeinen) door uitwaaiering en versnippering in theoretische scholen. Snel en grotendeels onafhankelijk van elkaar hebben deze hun conceptuele kaders uitgebouwd, waardoor ze uiteindelijk vaak nog moeilijk met elkaar kunnen communiceren, zelfs voor wat de basisconcepten betreft. Dit is ook wat Shevrin in de openingsbijdrage aanklaagt. Het betekent volgens hem een werkelijke moeilijkheid bij het totstandkomen van een ‘wetenschap van de geest’. Na tien jaar neuro-psychoanalyse1 blijkt nu dat het versnijden van de psychoanalyse met de neurowetenschappen een eerder onverwacht effect heeft op het domein van de psychoanalyse zelf. Om te beginnen kan vastgesteld worden dat die versnijding niet meteen uitmondt in het gevreesde gevaar van een biologische reductie of van een verdunning van de psychoanalyse2. Bovendien zou de versnijding met het fysiologische veld zelfs organiserend kunnen werken op het veld zelf van de psychoanalyse. Zo zet de toetssteen van het fysiologisch kader fundamentele concepten op de agenda, zoals het onbewuste, verdringing, overdracht, defensieve mechanismen, het spiegelstadium, de rol van de ander, de betekenaar enzovoort. Om te kunnen dialogeren met de fysiologische wetenschappen dienen die basisconcepten zo strak mogelijk geëxpliciteerd te worden, wat ertoe verplicht er de meest wezenlijke definiëring van scherp te stellen. Het onverwachte nu is dat die oefening niet enkel effecten heeft op de interdisciplinaire dialoog, maar ook aan mensen met diverse visies op de psychoanalyse de handvaten biedt voor overleg wat hen dichter bij elkaar brengt. Maar er is misschien meer. Zoals een eerlijke toetsing dicht bij de empirie van de kliniek informerend is voor de theorie en daardoor corrigerend werkt op ideologische a priori’s, zo ook kan een eerlijke toetsing dicht bij de fysiologische empirie dit effect hebben. Concreet bijvoorbeeld kan een eerlijke ondervraging van het fysiologische substraat naar vermoede defecten bij psychopathologie dwingen tot de vaststelling dat wat aan de hand is eerder ter hoogte van dynamische evenwichten tussen neuronale circuits dient gezocht te worden. Louter van de toetsing aan het biologische substraat (en dus niet ingegeven door een ideologische agenda) lijkt met andere woorden een kracht uit te gaan (Van de Vijver zou zeggen: een beperkende kracht die precies daardoor ook mogelijkheden creëert) die de aandacht opnieuw terugvoert naar psychoanalytische basisconcepten. Misschien kan de dialoog met de fysiologische wetenschappen zo premissen scheppen voor de ontwikkeling van een meer systematisch wetenschappelijk corpus. Paradoxaal is dat deze tot stand komende corpus dan niet zozeer dat van de neuropsychoanalyse betreft als wel dat van een psychoanalyse als wetenschap op zich. De versnijding met het fysio- logische substraat zou dan zodoende de rol spelen van een externe organisator die het psychoanalytisch model net meer zou kunnen openen3. Het betreft dan welteverstaan een nieuwe uitdaging voor de psychoanalyse. Ze blijkt bijvoorbeeld uit het enthousiasme van sommige van de bijdragen tot dit volume. Wij hopen dat een en ander alleszins een voldoende brede en prikkelende neuropsychoanalytische staalkaart biedt voor één ieder die zich vragen stelt bij een al te eenzijdige benadering van psychisch lijden. Mark Kinet en Ariane Bazan 10.10.10
Titre original :
  • Psychanalyse et neurosciences: L'esprit dans la machine
Langue :
  • Dutch
Identificateurs : urn:isbn:978-90-441-2712-6